Magie en Magiërs

Magie of toverij is de vermeende kunst van het manipuleren van de werkelijkheid met behulp van speciale objecten, spreuken en rituelen op basis van verborgen krachten. Mensen die in magie geloven, zijn ervan overtuigd dat het een oplossing biedt voor problemen met bijvoorbeeld vruchtbaarheid, gezondheid, veiligheid en het liefdesleven en dat het meer controle geeft over de natuur en het menselijk leven. Magie kan net als religie en wetenschap het wereldbeeld van een bepaald volk op een bepaald tijdstip mede bepalen. Magie berust op drie pijlers:

  1. De eerste pijler betreft de magiërs, de specialisten met een speciale status.
  2. De tweede pijler zijn de magische handelingen, de in de traditie gewortelde rituelen en daarmee verbonden voorschriften en symbolen.
  3. Ten slotte zijn er de met de handelingen van de magiër overeenstemmende magische voorstellingen van de werkelijkheid, de ideeën en geloofsovertuigingen dus van de magie.


De westerse magie


In zekere zin is het woord ‘magie’ een ongelukkige keuze want het heeft meer dan één betekenis. Er is de magie van de goochelaar op het toneel, die konijnen uit de hoge hoeden haalt en schaars geklede dames doormidden zaagt. Er is de magie van de antropoloog: naïef bijgeloof, primitieve vruchtsbaarheidsriten, wonderlijke overblijfselen uit de folklore. Er is ook zwarte magie: het bedrijven van misdadige handelingen, zoals rituele moord om de gunst van de duivels te verwerven. Tenslotte de magie van de westerse occultist, een zeer verfijnd systeem waarvan de oorsprong niet in legenden en folklore gezocht moet worden, maar in de Hermetica en de gnostische literatuur van het Romeinse rijk. De literaire werken die tezamen de Hermetica uitmaken worden meestal gegoten in de vorm van leerzame dialogen tussen goden en godinnen. De centrale figuur van de dialogen is altijd Hermes Trismegistus, een bijzondere manifestatie van een Griekse godheid die op z’n laatst in 400 v.Chr.  gelijk gesteld werd met Thot, de Egyptische god van het schrift, de wijsheid en de magie.


De magiërs, die kennis hadden van de hermetica, beschouwden en bestudeerden de aard van de mens, de methode van denken, de eigenschappen van de ziel, zijn macht over de natuur en het wezen van de verborgen hoedanigheden en en karaktereigenschappen van alle dingen. Die onderzoekingen, samengevat in een leerstelsel, kregen de naam van magie, grondslag van de ‘godsdienst’ van Zoroaster en van zijn inwijdingswetenschap.


De magie is de wetenschap der wetenschappen of menselijke kennis; daarom waren de magiërs van de oudheid de geleerdste filosofen. Een magiër behoort in de volgende wetenschappen te worden ingewijd:

1. Als voorbereidende wetenschap geldt: de kennis van oude talen, die van kabbalistische tekens, cijfers, alfabetten en talismanachtige hiëroglyfen.

2. Om aardbevingen, noodweer, grote overstromingen, verschijningen van kometen, enz. te kunnen voorspellen behoort de magiër astronomische kennis te bezitten.

3. Omdat helderziende personen de beste werktuigen zijn om de toekomst te voorspellen moet de magiër kennis hebben van hallucinerende kruiden en is een botanische studie voor hem onontbeerlijk.

4. Omdat plantensappen de verstandelijke organen kunnen beschadigen is een diepgaande studie van anatomie en psychologie een eerst vereiste.

5. Om besmettelijke ziekten, zoals pest, cholera, griep, kwaadaardige koortsen, enz.  te kunnen voorzien moet men op de hoogte zijn van pathologie, natuurkunde en scheikunde.

6. Daar alle ziekten slechts de uitkomst zijn van de miasmenbevattende uitwasemingen van lichamen, moet de toepassing van medicamenten, als middel ter genezing, dezelfde verhouding hebben in het plantaardige fluïde, dat men ertegenover stelt; daarom behoort men kennis te hebben van de homeopathie, als wet van de ‘similia en als de ware samenvatting der allopathische wetenschappen.


Een diepgaande studie van al die wetenschappen vormt tezamen de magie. En zij heeft behoefte aan vergelijkende feiten om niet te falen.