FUNDATIE-OORKONDE VAN DE ARMEN DE POTH

Donderdag na Sint Bonifaciusdag met zijn gezellen 8 juni 1447

Wij, Burgemeesters, Schepenen en Algemene Raad, Oud en Nieuw, en de Gemeente van de Stad Amersfoort, maken hierbij bekend dat wij ter ere Gods en om Gods wil de Broeders van de Heilige Geest, geheten de Pothbroeders, hebben bevolen zich ten eeuwigen dage zullen houden aan de volgende regelingen en verordeningen.

In de eerste plaats willen wij dat de Broeders die er nu zijn en die er in de toekomst zullen zijn, om Gods wil, het beheer op zich zullen nemen van de Heilige Geest en de Poth, geheten de Arme Huiszittenden. De goederen die de Heilige Geest of de Arme Huiszittenden zullen toebehoren nemen wij onder de bescherming van onze stad.

Wij machtigen de Broeders de goederen te beheren en wij“ treden op als de beschermers daarvan, voor zover dat in ons vermogen ligt, gelijk wij dit plegen te doen ten aanzien van de bezittingen van onze burgers.

Wanneer de Heilige Geest en de Arme Huiszittenden, geheten de Pothbroeders, hulp of raad vanwege onze stad nodig hebben, zal onze Raad daarbij altijd behulpzaam zijn.

De Broeders van de Heilige Geest en de Arme Huiszittenden, geheten de Pothbroeders, zullen uitdelingen doen aan de armen die voor ondersteuning in aanmerking komen. De Broeders zullen naar beste weten onderzoeken of degenen die voor ondersteuning in aanmerking komen aan de vereisten voldoen.

De Broeders zullen niet het beheer hebben over de prebenden die aan de kapel zijn verbonden en aan de giften ten gunste van het altaar. Het beheer hierover blijft aan de Raad, zoals het van ouds steeds het geval is geweest.

Wanneer iemand een bedrag van ten hoogste twintig Beierse guldens aan de Heilige Geest of de Armen Huiszittenden vermaakt kan hij een rechtsgeldige beschikking treffen ten overstaan van een priester. Het vermaakte bedrag kan door de Raad gerechtelijk worden ingevorderd, zoals de Raad dit ook kan ten aanzien van bedragen verschuldigd aan de Grote Kerk, Sint Joriskerk.

Wanneer iemand wekelijks aalmoezen van De Poth en hij komt te overlijden, dan zal wat hij achterlaat bestemd zijn voor De Poth ten behoeve van de armen, tenzij zijn erfgenamen ook van aalmoezen leven.

De Broeders van de Heilige Geest en de Arme Huiszittenden zullen geen goederen, van welke aard en omvang en om welke reden dan ook, te leen geven, verpanden noch vervreemden. Broeders die arbeid verrichten en kosten maken ten bate van de Heilige Geest en de Arme Huiszittenden binnen de stad en binnen een mijl daaromheen, krijgen die niet vergoed vanwege de Heilige Geest en de Armen, maar ontvangen hun loon van God onze Heer.

Het getal der Broeders hangt af van wat zij zelf nodig achten maar mag niet meer dan dertien zijn.

Wanneer nog slechts drie Broeders over zijn zal de Raad Broeders niet mogen benoemen tot Kerkmeester of in een overeenkomstige functie zolang zij nog Broeder van de Heilige Geest zijn.

De Broeders kiezen op dinsdag na Pinksteren om het andere jaar, naar beste weten en bij meerderheid van stemmen, uit hun midden een Procurator - later Rentmeester genaamd - die gedurende een periode van twee jaar het beheer op zich zal nemen van erflatingen en goederen die zij nu bezitten en daarna nog zullen verkrijgen. Hij legt tweemaal per jaar rekening en verantwoording af en wel op dinsdag na Pinksteren en op de dag na Sint Martinusdag, dat is Sint Lebuinusdag 12 november.

Uit hun midden kiezen de Broeders elk jaar één Procurator - later Dispencier genaamd - die twee jaar lang het gasthuis, de uitdelingen en de dagelijkse inkopen ten behoeve van de uitdelingen verzorgen.

Wanneer de Procurator-Rentmeester zijn functie voortijdig neerlegt zullen de aftredende Procurator en de Procuratoren-Dispenciers naar beste weten een Broeder aanwijzen cm de opengevallen plaats te bezetten. Wanneer een Procurator-Dispencrier zijn functie voortijdig neerlegt zullen de Broeders bij meerderheid van stemmen een opvolger aanwijzen.

Iedere Broeder die ten behoeve van liefdadige doeleinden geld of goederen van één der Procuratoren ontvangt legt daarvan rekening en verantwoording af in tegenwoordigheid van de Broeders op de Quatertemper-zaterdagen, dat is viermaal per jaar.

De Procuratoren zullen geen rentebrieven kopen, verkopen of vervreemden dan met toestemming van de Broeders.

Wanneer een der Procuratoren komt te overlijden zullen de Broeders binnen veertien dagen bij meerderheid van stemmen een opvolger kiezen.

Wanneer de Procuratoren overleg willen plegen met de Broeders of hen wil raadplegen of wanneer een der werkelijk armen een der Broeders beschuldigt, dan zal men dit de Broeders per bode laten weten. Wie niet aan dit overleg deelneemt verbeurt daarmee een halve oude Vlaamse groote ten bate van de armen, tenzij hij een reden kan opgeven die voor de Procuratoren aanvaardbaar is.

Wanneer de Broeders vergaderen zal wat de meerderheid beslist bindend zijn voor de Broeders die niet aanwezig waren.

Omdat wij, Burgemeesters, Schepenen en Algemene Raad, ervan overtuigd zijn dat het oordeel van onze Heer Jezus Christus gunstig zal zijn door de werken van barmhartigheid, omdat wij deel mogen hebben aan de goede werken die dagelijks worden gedaan in naam van de Heilige Geest en de Arme Huiszittenden, zo willen wij dat alle regelingen en verordeningen welke in deze brief zijn opgenomen vast en onverbrekelijk gehandhaafd worden. Daarom hebben wij tot een getuigenis ter bekrachtiging ons stadszegel aan deze brief gehecht.

Gegeven in het: jaar onzes Heren duizend vier honderd zeven en veertig, donderdag na‘ Sint Bonifaciusdag met zijn gezellen.


Bron: Bijlage bij “Spiegel der Historie”1969 nr. 1