LEVEN IN ARMOEDE


In de Valkestraat en in de Drieringenstraat waren er in de periode 1700-1780 logementen, of opvanghuizen, voor arme rondtrekkende Joden. Lang was de juridische positie van Joden zwak en hun sociale status erbarmelijk. De meesten waren arme of zelfs straatarme  winkeliers, handelaartjes, scharrelaars, vaak zonder vaste woon- of verblijfplaats, zwervend van dorp naar stad met een zwaar pak op hun rug met producten als garen, band en naald, of handelend in gedragen kleren en andere tweedehands spullen. Ze werden ook wel  luftmenschen genoemd. Dit cynisch gebruikte woord betekende dat ze van en in de lucht (luft) moesten leven. Hun bittere armoede was een reden om hen toegang tot de stad te weigeren. Dat was zeker het geval toen in de 18de eeuw er reeksen van strenge winters kwamen en men doodsbenauwd was voor epidemieën. Op 30 augustus 1713 besloten de Staten van Utrecht rondtrekkende Joden te weren uit angst voor verspreiding van besmettelijke ziektes. Het Amersfoortse stadsbestuur moest deze maatregelen overnemen en alle Joden weren. Na enige maanden verzachtte het bestuur deze maatregelen op eigen initiatief. In die tijd waren er ook anti-joodse relletjes, die met een duidelijke maatregel werd bestreden waarbij  het werd verboden ‘De Joden in eenigerley wijse te misdoen en anti-joodse tekeningen en prenten te venten’.

Bij Joden stonden hygiënische normen op een veel hoger peil dan bij de rest van de bevolking. Een van hun vaste gebruiken - indien mogelijk, was dat ze geen water haalden bij openbare putten of bronnen maar hun eigen putten of bronnen gebruikten waar een strenge hygiëne heerste. Zodoende werd besmetting voorkomen.

Ook hadden zij hun reinigingsvoorschriften voor aanvang van iedere Sabbat, en zij maakten men voor verschillende doeleinden gebruik van de mikwe - rituele bad.  Deze mikwe bevond zich naast de Sjoel. Daardoor hadden zij aanzienlijk minder pestgevallen. En dat nu maakte hen  nu juist verdacht in de ogen van Christenen.

In de veertiende eeuw was in Straatsburg tijdens een pestepidemie het aantal slachtoffers bij de Joden 95 % lager dan bij de overige burgers, dankzij de arts die de gehele Joodse wijk had laten schoonmaken en alle afval had laten verbranden. In de negentiende eeuw waren het vaak Joodse artsen zoals in Amsterdam Samuel Sarphati met het opzetten van een organisatie om vuilnis op te halen. Hij organiseerde een meel en broodfabriek die onder goede hygiënische omstandigheden goedkoop brood produceerde. Aletta Jacobs, eerste vrouwelijke arts in Nederland, heeft veel gedaan voor gezondere arbeidsomstandigheden vooral voor vrouwen. De Joodse gemeente richtte met steun van het stadsbestuur logementen in aan de Drieringensteeg en aan de Valkestraat. Mensen kregen voor slechts drie dagen een briefje van permissie. Desondanks was de toeloop zo groot dat de Amersfoortse Joden hen bij zich thuis lieten logeren. Dat verbood het stadsbestuur op straffe van 25 gulden. Bedenk daarbij dat de voorzanger en voorganger Abraham Hagenau in 1731 een traktement had van 16 gulden per maand. Kort daarop verzachtte het stadsbestuur deze maatregel en kreeg Salomon Gerson Cohen verlof om bedden voor de reizenden te spreiden en arme Joden voor een langere tijd te laten logeren. Vanaf het einde van de achttiende eeuw begon het Joodse proletariaat tot chronische armoede te vervallen Het verklaart tot velen zich tot het socialisme en communisme aangetrokken voelden en in die beweging een belangrijke rol vervulden.