De maatschappelijke achtergrond van de processen tegen tovenaars en heksen uit Amersfoort en omgeving


a. De politieke situatie van Amersfoort ten tijde van de processen

Het al of niet ‘te kwader naam en faam bekend staan’ speelde een belangrijke rol in de heksenprocessen. Wij zagen dat al bij de analyse van de Malleus en opnieuw in de procesreeksen van Mierlo/Asten en Amersfoort/Utrecht. In de taal van onze dagen zou je kunnen zeggen: het waren vooral marginale figuren die gevaar liepen in een heksenproces betrokken te worden. In het vorige deel zagen wij dat het aantal ‘marginalen’ in de laatste decennia van de 16e eeuw zeer groot geworden was en dat daarmee de behoefte van de leidende groepen om hen in het gareel te krijgen was gestegen. De toenemende angst voor heksen in heel Noordwest-Europa kan aan Amersfoort niet ongemerkt voorbij zijn gegaan.

Amersfoort had vanouds belangrijke handelsverbindingen met de buitenwereld en de plaatselijke regentenklasse had vele persoonlijke relaties in de zich consoliderende Republiek. De grote raadpensionaris van Holland Johan van Oldenbarneveld (1586-1618) was uit Amersfoort afkomstig en bleef met zijn geboorteplaats in contact. Maar ook zijn voorganger, de Hollandse landsadvocaat Paulus Buys, was geboortig uit Amersfoort. Bij en na de overgave van Amersfoort aan de prins en zijn broer, de stadhouder van Gelder Jan van Nassau (1579), bemoeide Buys zich actief met het vestigen van de nieuwe orde: de alteratie. Zijn broer Johan Buys kreeg na de rechtzetting korte tijd als schout de leiding van de stad. Na de vorming van een nieuw stadsbestuur werd hij daarin eerst schepen en het jaar daarop burgemeester. De Kroniek van St. Aagten meldt over de onderhandeling bij de overgave dat:


‘(...) Mr Paulus Buijs in Amersfoort is gecommen, alsoo hij een borgerssoon was. Hij heeft een deel van de zijnen vergadert om dselve met schone woorden te brenghen tot sijn deseijn. Maer hoewel sij hem wel toegedaen waren, en dorsten het nochtans nijet bestaen. Ende als hij geen raed en wost, keerde hij wederom (...).’


Bij de definitieve onderhandelingen werd beloofd: D'kercken souden blijven alse waren ende den dienst naer gewoonte gedaen worden, daarop sij haer eed deden'. Maar van de beloofde godsdienstvrijheid kwam niet zoveel terecht en de kroniek vertelt op bittere toon voorbeelden van inbreuken op de vrijheid van de zusters. Nog in hetzelfde jaar kwam de nieuwe, door de landsheer benoemde schout, mr. Cornelis van Duverden, de zusters van het St. Aagtenklooster de wacht aanzeggen. Het was het begin van een hele reeks aanslagen op de zelfstandigheid en het bezit

van de zusters. Hun kroniek rapporteert:


‘In 'tselfde jaer op St Petronellendach, als 't ons L. Vrouwenvaert was, quam d'schoudt met twee van den raedt in ons spinkamer ende vergaderde 't geheele convent, gevende ons vrijheijd van de gedane professie ende van 't slote ende om te mogen hijlicken ende sodanige dollicheijt meer.

Wij worden seer beswaert met schattingen en guarnisoenen, soo dat wij gelt op renten nemen ende landt vercopen mosten. Wij deden ons dienst en praedicatie noch in ons kerckgen. Dynsdaechs naer Paeschen song men de laeste misse ende vesper, alsoo daer een groote turbatie in de stadt was. Want een deel rebellen in St Joriskerck de beelden ende aultairs aen stucken slougen, doch sij worden

voor die tijd door de magistraet wt gedreven.’ In 1582 bemoeit zelfs mr. Paulus Buys zich met de zusters:


‘Op 17 Meij 1582 als wij ter tafel saten, sijn in ons convent gecommen d'scholt van Utrecht, scholt van Amersfoort ende mr. Paulus Buijs, roepende d'mater ende susteren bij malcanderen, die met groote drouffheijd nae d'spinkamer zijn gegaen. Mr. Paulus Aert Buijssensoon sprack met bitteren aengesicht ende mont, als off hij Goodts gramschap geweest ware, ende om de religie te nijet te maken, gebiedende van Princen weegen onse mater ende susteren haer habijt uijt te doen, jongen en ouden, ende hun cleden als vrouwen ende joncfrouwen deeses stifts. Daer tegen onse mater wijsselick gesproocken heeft. Waerdoor mr. Pouwels noch bitterder geworden is ende heeft geseijd, dat ons mater nijet meer soude regieren ende heeft veel harde woorden gebruijckt om het habijt ende paushullen (soo hij se noempde) te veranderen ende aff te setten. Ende hij heeft mr. Cornelis van Duverden, onsen scholt, bevolen daerop wel te letten, dat sulcx soude geschieden, daer mede hij gegaen is. Voorts heeft mr. Pouwels Buijs onsen pater heer Peter van Wijerdt veel bittere, smadelicke woorden gegeven ende geheeten het convent te verlaten, ende meer andere swaricheijd ende aenstoot hadden wij dagelicx van den scholt, bijsonder als hij beschoncken was.’


De schout bleef het de zusters moeilijk maken. In 1591, na het eerste in de kroniek vermelde heksenproces, rapporteren de zusters:


‘Weijnich tijt hijer nae quam d'schoudt des avonts tusschen 5 ende 6 uren seer beschoncken, willende in ons convent syn. Zyn broeder had ons onboden, dat wij hem nijet in laten souden. Wij hielden ons deure toe, hij liep after en voor als een verwoedt mensch, oock op den hoff, om de

dienaers, cruijt en loot, om de deure op te schieten, soo dat d'stadt in roeren was. Maer syn broeder, sijn suster ende den secretaris quamen op de been en stilden hem.'


De schout was dus blijkbaar geen zachtzinnig heer. Al kan dat bij het verloop van de processen wel een rol gespeeld hebben, een verklaring voor de processen zèlf kan dat niet vormen. De schout bleef in functie tot zijn dood in 1611.5 En voor de jaren tachtig en de periode na 1595 zijn geen heksenprocessen bekend.


Wat de Amersfoortse autoriteiten van de heksenleer dachten en of zij de literatuur daarover kenden, is niet te achterhalen. Uit de bij de processen gestelde vragen blijkt in ieder geval dat zij wisten wat de wezenlijke punten van de heksenleer waren. Omdat bij de verschillende arrestaties meerdere stadsregeringen waren betrokken - deze wisselden ieder jaar - kan aangenomen worden dat de heksenleer ernstig genomen werd. Daarmee dringt de vraag zich op, of de maatschappelijke situatie van de Amersfoortse bevolking misschien een voedingsbodem vormde voor de toename van de angst voor heksen. Voor zover de gegevens reiken - over de eerste processen zijn de gegevens summier - kwamen de aanklachten over hekserij immers uit het gewone volk naar voren. Dit was ongetwijfeld op de hoogte van het bestaan van ‘heksen’ en van heksenprocessen. Generaties lang kunnen de opzienbarende verhalen daarover zijn verkondigd en verteld. Van de toename van de processen in de eigen tijd moet het volk op de hoogte zijn geweest. Arend van Buchell vermeldt in zijn Diarium niet alleen heksenaanklachten uit de omgeving van Amersfoort, maar ook uit Utrecht en de wijde omgeving. Verhalen daarover zullen ongetwijfeld van mond tot mond zijn gegaan. Maar werden de angst en de verdachtmakingen alleen door de aangezwollen verhalenstroom gevoed, of zien wij ook in Amersfoort een samenhang met de bij de analyse van de Malleus gebleken crisisverschijnselen: die met betrekking tot het gezag, de sociaal-economische verhoudingen en de man/vrouw-relatie?


b. De sociaal-economische situatie in Amersfoort

De sociaal-economische problemen springen het meest in het oog. Twee takken van nijverheid waren vanaf het begin van de middeleeuwen voor Amersfoort erg belangrijk geweest: de lakenindustrie en de bierbrouwerij. Beide gingen in de loop van de 16e eeuw achteruit, vooral door de concurrentie op het platteland. De bierbrouwerij had zich ontwikkeld uit de huisbrouwerij. Vooral in dat stadium was de rol van de vrouw belangrijk. Van die huisbrouwerijen moeten er zeer veel geweest zijn. Nog in de 15e eeuw is er in allerlei stukken wel sprake van brouwers en brouwsters, maar niet van brouwersknechten. Door concentratie, specialisatie en organisatie in gildeverband was de verantwoordelijkheid van de huisvrouw voor debierbrouwerij achteruitgegaan. Bij een eedaflegging in 1602 blijken er 21 brouwers aanwezig te zijn en 7 weduwen van brouwers, maar geen zelfstandige brouwsters. Wel blijven er nog lang ‘brouwsters’ als dienstpersoneel in brouwerijen werkzaam.

Zij worden in één adem genoemd met ‘dienstmeisjes’. In de 16e eeuw werd het steeds moeilijker om de privileges van de Amersfoortse brouwers waar te maken. De ‘buitenbrouwers’ konden het bier goedkoper leveren. In de concurrentieslag dreigde ook de kwaliteit van het eigen bier te verminderen. In 1602 probeerde de magistraat deze ontwikkeling te keren door nieuwe bepalingen over de bierbereiding af te kondigen, maar tevergeefs: de ontwikkeling was niet te keren.


In de lakenindustrie waren vanouds veel vrouwen werkzaam. De lakenweverijen waren klein, de meeste drapiers hadden niet meer dan twee getouwen. Soms bedienden zij die zelf met hun familie, soms hadden zij weversgezellen in dienst. Het drapiersgilde was het belangrijkste van de gilden die bij de lakenweverij betrokken waren. Zij waren niet alleen verantwoordelijk voor de vervaardiging van het laken, maar ook voor de afzet ervan. Ook kochten zij gezamenlijk de verschillende wolsoorten in, die vooral aan spinsters voor thuiswerk werden gegeven. Nog vele andere werkzaamheden werden door de drapiers uitbesteed. Vollers, ververs, droogscheerders, maar ook kamsters, kaardsters, nopsters en schroeisters kwamen aan het vervaardigen van laken te pas. Maar ook hier komen in de loop van de 16e eeuw klachten over achteruitgang van de kwaliteit van het produkt, en ook hier hing dat samen met de voordelige concurrentiepositie van bedrijfjes buiten Amersfoort, die niet onderworpen waren aan de voorschriften van gilden en stadsbestuur. De overheid probeerde de lakenindustrie wel gaande te houden, maar zag toch uit naar vervangende werkgelegenheid.

Kort na de beschreven heksenprocessen - in 1597 - vestigde zich in Amersfoort de eerste bombazijnwever. Hij kwam uit Deventer, waar hij als bombazijndrapier aan 60 mensen werk had verschaft. Deventer was wel sinds 1587 heroverd door de staatse troepen, maar de Spaanse druk op de stad bleef groot. Amersfoort was een geschikte plaats van vestiging. De bevolking was geschoold in de lakenindustrie en er waren arbeidskrachten in overvloed. Bij zijn komst deelde hij het stadsbestuur mee dat hij onder meer een groot aantal weeskinderen aan het werk wilde zetten. De ligging van Amersfoort was juist voor de bombazijnweverij uitstekend. Bombazijn was een weefsel van linnen en katoen (Baumwolle). Amsterdam was zich aan het ontwikkelen tot de grootste katoenmarkt van Europa, en Amersfoort werd in de 17e eeuw het eindpunt van de transporten met linnen garens, die in Oost-Nederland, Westfalen en Neder-Saksen op de boerenhoeven werden gesponnen uit zelfverbouwd vlas. De zware transportwagens - de Hessenwagens - waren namelijk niet geschikt voor het drassige land achter Amersfoort. Het transport naar Amsterdam werd per schip voortgezet. De aanvoer van linnen en katoen was dus voor de bombazijnweverij gegarandeerd. De nieuwe industrie groeide de lakenindustrie snel boven het hoofd: in 1656 waren er in de stad al 61 bombazijndrapiers, uiteraard in een eigen gilde georganiseerd.

Kort na de vestiging van de bombazijnweverij kwam in de omstreken van Amersfoort ook de tabaksbouw van de grond, waarschijnlijk via immigranten vanuit het zuiden. Vooral deze twee industrieën hielden Amersfoort in de 17e eeuw economisch op de been.

De heksenprocessen vielen dus juist vóór het moment dat vervangende werkgelegenheid van de grond kwam: werkgelegenheid voor mannen, vrouwen en kinderen. En niet alleen voor de ingezetenen van Amersfoort zelf, maar ook voor degenen die er zich van buitenaf vestigden of er - verdreven door oorlogsgeweld en vervolging - hun toevlucht zochten. Loslopende, bedelende en ongetwijfeld ook straatschennende kinderen waren al enige decennia voor de burgers een grote zorg. In 1568 hadden vooraanstaande burgers voor deze kinderen een zondagsschool - de H. Geestschool - opgericht. Daarnaast probeerde men hen van de bedelarij af te houden door hen aan particuliere werkgevers uit te besteden: de meisjes als spinsters, de jongens als leerling in de weverij, snijderij enz. Omdat de uitbesteding niet bevredigend werkte, kochten de ‘bevelhebbers’ in 1575 het ouderlijk huis van Oldenbarneveld op om er een werkhuis te vestigen. De jongens leerden er het lintwerken en de meisjes spinnen.


In 1589 werd de H. Geestschool op bevel van de calvinistische stadsregering opgeheven, maar het ‘Lint- en Spinhuis’ bleef bestaan. Echter niet voor lang. In 1642 werd het opgeheven, omdat de lintwerkers de concurrentie met het platteland niet konden volhouden. Daar was men van paardemolens gebruik gaan maken. In Amersfoort echter bleef men voetmolens gebruiken en die werden vooral door kinderen bediend. De lintwerkerij dreef voor een groot deel op kinderarbeid. Tussen 1595 en 1602 moest de overheid herhaaldelijk optreden tegen lintwerkersbazen die wel lintjongens aantrokken - ook van buiten de stad - maar hen niet verder onderhielden. Daardoor waren zij toch weer op bedelen aangewezen. Na 1602 worden er geen klachten hierover meer genoteerd. Dat zou erop kunnen wijzen, dat men toen het probleem onder de knie had.


Al met al vallen de heksenprocessen dus in een periode van sociaal-economische onrust, die vooral zijn terugslag moet hebben gehad op de mannen, vrouwen enkinderen die van losse loonarbeid  afhankelijk waren. In een dergelijk klimaat neemt de gevoeligheid voor veronderstelde onheilbrengers toe. De sociaal-economische onrust moet nog zijn versterkt door klimatologische omstandigheden. Wij zagen in de Kroniek van St. Aagten dat in 1592 wolven tot op het platteland rond Amersfoort kwamen. Honger moet hen daartoe hebben gedreven.

De getuigen in het proces tegen Volckert Dircxz. hebben in 1595 ook wolven gezien. De ook volgens andere bronnen uitzonderlijk grote watersnood van 1595, die kort voor het proces tegen Volckert plaatshad, zal op zijn minst een stijging van de voedselprijzen ten gevolge hebben gehad. Daardoor werden uiteraard de sociaal-economisch zwakkeren het meest getroffen, en onder hen het meest de vrouwen en kinderen die geen weerbare man of familie hadden, die voor hen op kon komen.


De situatie van Amersfoort in de jaren negentig van de 16e eeuw vormt een onderdeel van de sociaal-economische crisis die grote delen van Europa toen teisterde. De crisis werd nog verergerd door slechte klimatologische omstandigheden die misoogsten veroorzaakten. Deze periode van klimatologische verslechtering en misoogsten zette al in de jaren zestig in en teisterde ook de jaren tachtig. Zij vond echter haar hoogtepunt in de jaren negentig. Opvallend is dat het oplaaien van de

heksenwaan - die nogal eens begon met het zoeken naar schuldigen voor misoogsten - ongeveer met deze ontwikkeling samenvalt. Wij zagen dat de graanprijzen globaal genomen de hele 16e eeuw stegen, terwijl de reële lonen daalden. De dichtbevolkte steden van de Nederlanden liepen daarbij aan kop. In die situatie waren misoogsten niet alleen desastreus voor de plattelandsbevolking, maar ook voor de talrijke armen in de steden.

De maatschappelijke gevolgen van deze crisis moeten ook voor het Amersfoortse stadsbestuur een niet geringe bron van zorg zijn geweest. Dat zou een neiging tot strenge straffen in de hand gewerkt kunnen hebben. Want het waren geen nieuwelingen die ten tijde van de heksenprocessen in het stadsbestuur zaten. Bij het horen van de eerste getuigenverklaringen tegen Volckert Dircxz. waren een burgemeester en een schepen tegenwoordig, die al vanaf de jaren tachtig geregeld allerlei bestuurlijke functies hadden vervuld. Dat de calvinistische gezindheid van het stadsbestuur een rol heeft gespeeld, is niet waarschijnlijk. In ieder geval was het stadsbestuur in de periode van de heksenprocessen niet eenzijdig uit calvinisten samengesteld, zoals dat wel in de jaren tachtig en na 1615 het geval was. In 1591 was zelfs éénderde van de leden katholiek. Wat hoogstwaarschijnlijk wèl een rol heeft gespeeld, is de invloed van de berichten over de toegenomen heksenprocessen elders en daarnaast de autoriteit van de deskundigen die deze verdedigden.


Bron: Het verbond van heks en duivel, Een waandenkbeeld aan het begin van de moderne tijd als symptoom van een veranderende situatie van de vrouw en als middel tot hervorming der zeden,

Lène Dresen-Coenders