Architectuur en kleur


Kleur speelt een wezenlijke rol in de architectuur. Keer op keer blijkt uit historisch onderzoek hoe gevarieerd kleurgebruik en schilderstechnieken in ons land in het verleden waren.


Het schildersambacht

Vanaf de middeleeuwen tot in de Franse tijd waren schilders lid van het Lucasgilde. Alleen meester schilders waren bevoegd om leiding te geven aan een eigen werkplaats en gezellen en leerlingen in dienst te nemen. In het Lucasgilde waren zeer verschillende beroepen georganiseerd, van fijnschilders tot behangschilders, vergulders, glazenmakers, huisschilders en rijtuigschilders.

Huisschilders werden ook wel verwers of malers, grofschilders of ‘schilders met de grote kwast' genoemd. In de 19de eeuw worden de aanduidingen huis- en decoratieschilder gebruikt.


De huisschilder beschikte over een eigen werkplaats, de ‘schilderswinkel', waar zijn materialen lagen opgeslagen en waar hij verfstoffen bereidde. Tot lang na de opkomst van de verfindustrie mengde de schilder zelf zijn verven, een zwaar werk, vooral als fijne verf nodig was.


Jarenlang behoorden wrijfstenen en potmolens tot de vaste onderdelen van de werkplaats. Met de kleine potmolen werden pigmenten en bindmiddelen fijn gemalen. In de pigmentkast bewaarde de schilder kleurstoffen in laden. In tonnen, vaten en kruiken stonden reeds gemalen pigmenten, bindmiddelen en veelgebruikte verven klaar.

Pas laat in de 19de eeuw verplaatste het mengen van verf zich naar fabrieken, waar met grotere walsmolens verf werd gemaakt.


In de schilderswerkplaats lagen verder ladders, steigers en klampen opgeslagen en stonden afbrandkorven en brandijzers gereed om verf af te branden. Puimsteen en schuurpoeder was aanwezig voor schuurwerk. Verder hingen er kwasten, kammen en borstels, sjablonen en voorbeeldstalen van hout- en marmerimitaties. Op een lessenaar hield de schilder zijn boekhouding bij en schreef hij de rekeningen.


Historisch kleurgebruik

Voor het binnen- en buitenschilderwerk van het woonhuis werden in de middeleeuwen vooral aardkleuren toegepast, zoals omber, wit krijt, gele en rode okers. Balklagen en houten onderdelen in het interieur werden vaak oker, vaalgroen of bruin gebeitst. Bewaard gebleven decoratieve schilderingen op balken, korbelen en muren zijn zeer zeldzaam.


In de 16de en 17de eeuw zijn het vooral okertinten en natuursteenkleuren zoals Bentheimer (zacht oker) die op gevels worden toegepast en zwart voor muurankers en ijzerwerk. Natuursteen werd vaak overschilderd om kleurverschillen in het materiaal te verhullen. Hout werd Bentheimer geschilderd om natuursteen te suggereren. Metselwerk werd soms met baksteenkleurig rood of bruin en lijnolie gekleurd. Zacht groen kwam veel voor op luiken en deuren. De binnenkant van luiken werd vaak passend bij de kleur van het interieur geschilderd, in donkere tinten rood of oker.


In de 18de eeuw blijven Bentheimer en okers dominant voor kozijnen en natuurstenen geveldelen. Bentheimer wordt in de loop der tijd wel steeds lichter van tint. Schuiframen schilderde men helder wit, aan het eind van de eeuw ook wel olijfgroen.


Het kleurgebruik in het interieur wordt in de 18de eeuw veel gevarieerder: vertrekken krijgen een sterk individueel karakter, geschilderd in sprekende kleuren als paarsrode dodekop, Berlijns blauw en Bremer groen.

Men gebruikte daarbij meerdere tinten: op lambriseringen, binnenluiken en deuren schilderde men de verst verwijderde vlakken in de donkerste tinten. Balken waren donkerder van toon.


In de 18de en 19de eeuw was het maken van houtimitaties wijd verbreid, zoals in veel huizen van de Vereniging nog te zien is.


Eind 18de eeuw is er veel belangstelling voor de oudheid, met kleuren als brons- en olijfgroen, rood en okergeel, te zien in de kostbare interieurs van Huis Barnaart en het Hodshon Huis in Haarlem.

In de 19de eeuw is er een enorme kleurenrijkdom. De synthetische fabricage van verf maakte dan ook veel meer kleuren mogelijk.


Pas na 1830 komt het grachtengroen op voor buiten schilderwerk. Deze kleur is nog steeds dominant in de sterk gestandaardiseerde (en daardoor onhistorisch vlakke) kleurstelling van onze oude binnensteden.


Verf

Tot het eind van de 19de eeuw wreef de schilder in zijn werkplaats zelf zijn verf. Pigmenten in poedervorm gecombineerd met een bindmiddel vormden de basis. Pigmenten werden vooral uit mineralen, metaalertsen en planten gewonnen en door handelaren, fabrikanten en molenaars geleverd.


De zuiverheid van de pigmenten varieerde sterk. Met de ontwikkeling van verfmolens in de Zaanstreek kwam de grootschalige productie van verfstoffen op gang.


Tot in de 18de eeuw was het aantal bruikbare pigmenten zeer beperkt. De chemische wetenschap richtte zich in de 19de eeuw op de verfindustrie. Dit leidde tot de komst van synthetische, via chemische weg geproduceerde, verven en een enorme toename van het aantal kleurstoffen.

Ook tube en verfblik zijn 19de-eeuwse uitvindingen.


In de oudheid werden water, lijm, caseïne (een melkbestanddeel) en eiwit van een kippenei als bind- en hechtmiddelen gebruikt. Verven die als bindmiddel eigeel en lijm bevatten noemt men tempera.


In de 15de eeuw gebruikte men in Vlaanderen lijnolie als bindmiddel, door de molenaar geperst uit lijnzaad. De kleuren konden beter vermengd worden en kregen een bijzondere diepte en glans. Er zijn verschillende lijnolievarianten zoals gekookte lijnolie, die snel droogt en een mooie glans geeft, en standolie voor dikke verven.


In de 20ste eeuw werden synthetische verven op basis van aardolie ontwikkeld. Het mengen van verf verdween hiermee definitief uit de schilderswerkplaats. Er is echter een groot verschil in glans, structuur en dekkingsgraad: verf op lijnoliebasis laat, in tegenstelling tot synthetische verf, veel meer zien van de onderliggende houtstructuur. Tegenwoordig wordt weer gewerkt met water gedragen verven.


Enkele pigmenten

Wit

Kalk en krijt zijn altijd belangrijke witte grondstoffen geweest. Loodwit is een oud, goed dekkend (en zeer giftig) pigment dat vanaf het midden van de 17de eeuw in Holland fabrieksmatig werd vervaardigd. Het Hollandse loodwit werd in heel Europa gebruikt. Platen lood werden op stenen potten met azijn geplaatst en met paardenmest afgedekt. Door de broeiende warmte zette het loodwit zich af. In de 19de eeuw werd wit ook uit zink en tin gewonnen.


Oker

Oker, in alle schakeringen, behoort tot de oudste en meest gebruikte verfstoffen. Okers worden gewonnen uit ijzerhoudende aarde en gesteenten. Groeven lagen in Engeland, Frankrijk en Duitsland. Grote steenbrokken verweerden in de buitenlucht. In waterbassins liet men de okerdeeltjes bezinken. Deze werden vervolgens fijn gemalen. Naar de kleur onderscheidt men gele, bruine en rode okers. Loodwit met gele oker wordt Bentheimer genoemd, naar de zandsteen die veel in ons land is toegepast. Bentheimer werd vanaf de 17de eeuw veel toegepast op gevels zowel op steen als houtwerk.


Rood

Lood- en ijzermenie waren belangrijke rode verven. Door het raspen van brazielhout verkreeg men Braziliaans rood, een paars-bruin pigment. Een mooi donkerrood karmijn werd gemaakt uit de schildjes van de cochenile, een luis die op cactussen leeft. Vermiljoen is een vuurrode verfstof, een chemische verbinding tussen kwikzilver en zwavel. Het werd gebrand in potten, een zeer ongezond procedé. Venetiaans, Spaans en Engels rood zijn okers die veel gebruikt werden om gevels te schilderen.

Dodekop of ossenbloed, een rood-paarse kleur, is een residu van de bereiding van zwavelzuur vermengd met zout.


Blauw

Het kostbare ultramarijn werd gewonnen uit de halfedelsteen Lapus Lazuli. In de 19de eeuw ontdekte men een chemische bereidingswijze. Indigo is plantaardig. India en Amerika waren leverancier. In de 17de eeuw maakte men in Hollandse molens smaltblauw, door blauwgekleurd glas waarin delen kobalt zich bevinden, te vermalen. Het diepe en goed dekkende Berlijns blauw, een ijzercyaan verbinding, werd in 1704 ontdekt en vanaf omstreeks 1720 toegepast. Het werd aanvankelijk gemaakt uit ossen- of kalfsbloed, steenkalk en salpeter. Het was een ware rage in het 18de-eeuwse interieur.


Groen

Groen was een moeilijke, snel flets wordende kleur. Spaans groen werd gemaakt door platen koper op azijnpotten te plaatsen totdat er zich kopergroen op afzette. Bremer groen, variërend van geelgroen tot blauwgroen, werd vanaf 1760 fabrieksmatig vervaardigd. Probleem van zowel Spaans als Bremer groen is dat ze sterk verkleuren naar bruin. Pas na 1830 komt het tegenwoordig zeer dominante grachtengroen op. Deze donkere blauwgroene kleur werd gemaakt uit Berlijns blauw, Bremer groen en gele oker. Halverwege de 19de eeuw komt het synthetische chroomoxidegroen beschikbaar.


Zwart

Zwart werd verkregen uit roet (lampenzwart) en door het verbranden van hout (tonzwart, koolzwart), hars, teer of beenderen (beenzwart, ivoorzwart). Lampenzwart werd het minst toegepast, schilders namen vaak plantaardig of beenderzwart. Plantaardig zwart maakte men van bladeren en druivendroesem.


Enkele oude schildertechnieken

Houtimitaties

Het imiteren van kostbare houtsoorten wordt ‘houten' (of gladhout schilderen) genoemd. In de loop van de 18de eeuw komt het houten sterk in de mode, een vervolg op het 17de-eeuwse nabootsen van eiken op een grenen ondergrond. Vooral balken, deuren, deuromlijstingen, trappen, lambriseringen, bedsteden en kasten werden op deze wijze gedecoreerd.


Op een gladde grondlaag werd een dunne transparante verflaag aangebracht waar men met een kam, veer, penseel, daskwast en later gummilap patronen in kon maken. Op deze manier kon men de mooiste nerven, vlammen en patronen van allerlei inheemse en exotische houtsoorten nabootsen, van eiken tot ebbe, palissander, ceder, wortelnoten en mahonie.


In de 19de eeuw bloeide het houten weer op, in het interieur en op winkelpuien.


Marmerimitaties

Ook kostbaar gepolijst marmer werd door huisschilders op houtwerk of muren geïmiteerd. Dit werd al in het midden van de 17de eeuw in ons land gedaan. Vooral schoorsteenmantels, lambriseringen, wanden, kozijnen, zuilen en pilasters kwamen voor deze techniek in aanmerking. Allerlei marmersoorten konden door de huisschilder met penseel en kwast in dunne verflagen nagebootst worden, van rood gevlamd marmer tot zwart geaderd portor en wit gevlekt carrara.


Een bijzondere schildertechniek is het ‘blotevoetjesmarmer'. Het betreft geen marmerimitatie maar een vorm van vloerdecoratie. Kindervoetjes werden in natte verf gestempeld op een voorbewerkte ondergrond, zodat een typerende structuur ontstond. Verwant zijn houten vloeren waarin met spons, leer of natte doeken houtpatronen werden getrokken.


Sjabloonschilderen

In de middeleeuwen, aan het eind van de 19de en in de vroege 20ste eeuw was het schilderen met behulp van sjablonen een veelgebruikte techniek. Ook in de late 18de eeuw werd met deze decoratietechniek gewerkt. De schilder tekende zijn ontwerp met potlood op geolied tekenpapier of karton en sneed vervolgens de motieven uit. Ook metalen sjablonen werden gebruikt.


Er moesten in deze tijd veel woningen gebouwd worden en met sjabloonwerk konden interieurs relatief snel gedecoreerd worden. Een kleine sjabloon industrie ontwikkelde zich, waarbij men patronen, van strak tot speels, kon kiezen uit voorbeeldboeken. De aula van het Hodshon Huis in Haarlem is met deze techniek van prachtige schilderingen voorzien.


Vergulden

Vergulden is een nauwgezette en kostbare schildertechniek die in het interieur vooral op ornamenten en lijsten is toegepast.


Het vergulden beleefde een hoogtepunt tijdens de Lodewijkstijlen in de 18de eeuw. Voor het vergulden worden boekjes met dunne velletjes bladgoud gebruikt. De legering van het bladgoud is bepalend voor glans en diepte. Zo maakt de toevoeging van zilver het bladgoud lichter, terwijl koper het goud een rode gloed geeft.


Voor het hechten van het bladgoud op een zorgvuldig voorbereide ondergrond is een plakmiddel nodig, meestal een mengsel van harsen en olie. Eventueel kan een vergulding gepolijst worden of juist matter gemaakt worden met een vernislaag.


Kleuronderzoek en restauratie

Vaak is de kleurafwerking van een huis in de loop der tijd ingrijpend gewijzigd. Als voorbereiding op een restauratie doet de Vereniging daarom kleuronderzoek. Dit begint meestal met een speurtocht in het archief. Schilderijen, prenten en foto's, zelfs al zijn ze zwart wit, kunnen informatie geven hoe een gevel of interieur er vroeger uitzag. Ook reisverslagen, bestekken en schildersrekeningen kunnen interessante gegevens bevatten.  


Bij technisch kleuronderzoek worden de historische afwerklagen op een gevel of in een interieur met een scalpelmesje voorzichtig blootgelegd. Het maken van deze kleurtrapjes en vensters, op goed gekozen plaatsen, is een nauwgezet werk dat veel informatie kan opleveren.


De gegevens moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd want verf verkleurd in de loop der tijd, onder andere door zonlicht, interactie tussen de pigmenten en bindmiddelen en verwering. De schilder mengde in het verleden met de hand en kleurstoffen waren lang niet zo zuiver als de huidige synthetisch bereidde verven.


Ook de techniek van de schilder, zijn kwaststreken, de dekking en de glansgraad van verf zijn vaak moeilijk op basis van een kleurtrapje vast te stellen.


Als onderdeel van het onderzoek kunnen verfmonsters worden genomen. In een laboratorium worden met een microscoop en met microchemische analysemethoden de pigmenten en bindmiddelen vastgesteld. Met de vaststelling van de pigmenten kunnen de afwerklagen grofweg gedateerd worden. Soms kan ook iets over de schildertechniek worden gezegd.


Toch is het interpreteren van de onderzoeksresultaten niet altijd eenvoudig. Doel is om tot een gedegen kleuradvies te komen. Uiteindelijk is het resultaat een zo goed mogelijke benadering van de historische kleur.